Workshops vakgenoten

Trots op het vak, maar...

Deze pagina doet verslag van de bijeenkomsten met vaklieden. Op vier achtereenvolgende dagen is gesproken met balkmannen & spreidmachinemachinisten, met walsmachinisten, met uitvoerders en met asfaltcoördinatoren. Op deze pagina kan worden doorgeklikt naar onderliggende pagina's die de resultaten hiervan laten zien. Achtereenvolgens komen aan de orde:

  • De aanleiding tot de workshops
  • De aanpak per ochtend
  • De resultaten van de workshops
  • De toekomst
  • Onderlinge uitwisseling smaakt naar meer

Documenten

De aanleiding

Aandacht voor uitvoering en voor de kennis/ervaring van vakmensen wordt steeds belangrijker. Daarvoor zijn meerdere redenen:

  • De gemiddelde leeftijd in de ploegen stijgt.
  • Steeds meer mensen met ruime kennis/ervaring worden gepensioneerd.
  • Het aantal mensen dat een opleiding voor de wegenbouw volgt daalt.

De bedrijven maken zich terecht zorgen over de aanwas en toestroom van nieuw personeel. Maar zelfs als de toestroom op peil zou blijven, dan nog blijft het niveau van kennis en ervaring in de ploegen een punt van aandacht. De condities voor het werk worden ingewikkelder. Meer werken in de nacht en in het weekend maakt het werk niet alleen minder aantrekkelijk, maar ook lastiger. Er is meer druk door boetes voor als het werk uitloopt. Er worden met regelmaat nieuwe typen mengsels geïntroduceerd en nieuwe technieken ontwikkeld, waardoor de werkwijzen ook moeten worden aangepast.

Deze en andere veranderingen stellen extra eisen aan de mensen in de uitvoering. Als we:

  • willen voorkomen dat de kwaliteit van de wegen achteruit gaat
  • files rondom wegwerkzaamheden willen beperken
  • veiligheid van wegwerkers zeker willen stellen
  • willen dat nieuwe technieken goed worden gebruikt,

dan moeten de mensen langs de weg het werk goed kunnen blijven doen. Dat betekent dat ze ondanks de moeilijkere condities toch steeds beter in hun vak moeten worden. Hoe gaan we daarvoor zorgen?

Midden januari heeft ASPARi een viertal bijeenkomsten met vaklieden georganiseerd om te praten over hun werk, hun ervaringen en over de toekomst van hun vak. Welke kant gaat het op? Waar zijn ze trots op? Wat zijn de knelpunten? Hoe kunnen we het beter maken?

Op deze pagina wordt kort verslag gedaan van de bijeenkomsten en worden de belangrijkste en opmerkelijkste uitkomsten op rij gezet.

De aanpak

De eerste groep vakgenoten was samengesteld uit balkmannen en spreidmachinemachinisten [14 deelnemers]. Daags daarna kwamen de walsmachinisten aan bod [12]. De derde dag was de beurt aan de uitvoerders [17]. De laatste dag was met asfaltcoördinatoren [10]. De deelnemers waren afgevaardigden van de ASPARi Founders. Ze kwamen vanuit het hele land, met als uitersten Roermond, Delfzijl, Den Helder en Ouddorp. Elke dag werd dezelfde opzet gevolgd. Na een korte introductie werd de groep verdeeld in groepen van 3-4 personen. Deze subgroepen moesten volgens een Delphi-achtige methode een 12-tal vragen beantwoorden. De antwoorden zijn weer voorgelegd aan de groep om de prioriteiten aan te geven.

Vragen die werden voorgelegd aan de vaklieden

  1. Dit was in het verleden beter dan het nu is:
  2. Voor de toekomst is het belangrijk dat...
  3. We kunnen ons werk niet goed doen als...
  4. Het zou mooi zijn als er iets bedacht wordt voor/om...
  5. De "bazen" snappen (nog) niet dat...
  6. In ons vak draait het vooral om...
  7. Dit is nu beter dan in het verleden was...
  8. Als ik de opleidingen zou maken, dan zou ik meer aandacht besteden aan...
  9. Zorgelijke ontwikkelingen in de asfalt wegenbouw zijn...
  10. Dit zou ik willen veranderen:
  11. Grote verstoringen/ergernissen voor ons werk zijn...
  12. Ik hoop op nieuwe technologie voor/om...

Werkwijze

Na het welkom, een korte kennismaking en een introductie werden de deelnemers opgedeeld in groepjes van 3-4 personen. Elk groepje kreeg een student toegewezen als secretaris en kreeg een vragenformulier uitgereikt. Op het formulier vulde het groepje de antwoorden hierop in.

Er werd een Delphi-achtige werkwijze gevolgd. Na 5-10 minuten ruilde het groepje het formulier in voor een nieuw vraagformulier. Door een snelle roulatie werd elke vraag door twee of meer groepjes beantwoord. Als groep A een formulier kreeg waar groep B al mee gewerkt had, dan kon groep A de antwoorden van B als inspiratiebron gebruiken. Tussendoor werden de antwoorden verwerkt in een overzicht (mindmap).

Na de groepssessie was een korte pauze en werd het overzicht snel uitgewerkt. Na de pauze werd met de groep het overzicht doorlopen om prioriteiten aan te brengen in de antwoorden. Na een korte afsluiting was het tijd om te lunchen en weer huiswaarts te gaan.

De resultaten

Opvallend was de mate van overeenstemming over de belangrijkste ontwikkelingen van de afgelopen jaren. Natuurlijk zijn er nuanceverschillen, maar op hoofdlijnen ontliepen de uitkomsten elkaar maar weinig. De meest in het oog springende trend is de druk op productie.

De resultaten zijn per workshop uitgewerkt in MindMaps. Hieronder staan de links naar deze MindMaps (deze zijn te openen in Adobe Reader):

Toegenomen werkdruk

De condities waaronder gewerkt moet worden zijn de afgelopen jaren dwingender geworden. Ook de marges zijn kleiner. Een ploeg telt minder mensen, er worden vaker ZZP-ers ingezet en de werkdruk is hoger. De reisafstanden zijn groter en de werktijden onregelmatiger. Er is meer haast en minder tijd om nauwkeurig goed werk te maken. Dat gaat ook ten koste van sfeer en voldoening. De druk op productie leidt ook tot meer spanningen in de keten. Er moet nu veel meer geïmproviseerd en gehaast worden.

Je zou verwachten dat door de moeilijkere omstandigheden meer aandacht zou uitgaan naar voorbereiding. Dat is niet het geval. De aandacht voor voorbereiding is verminderd. De asfaltploegen moeten vaak recht breien wat anderen hebben nagelaten. Voorbeelden daarvan zijn:

  • De baan is niet vlak;
  • Freeswerk is niet op tijd klaar;
  • Kantstenen zijn niet goed aangebracht;
  • Verlichting of afzetting ontbreken.
  • De druk leidt ook tot spanningen met chauffeurs en transporteurs, onder andere over het rijtijdenbesluit. Bij nacht- en weekendwerk worden vaak minder ervaren deeltijd-chauffeurs ingezet. De deeltijd-chauffeurs hebben bijvoorbeeld meer moeite de wagen goed voor de spreidmachine te zetten.

Vooral doorwerken!

Ook in de winter wordt nu doorgewerkt. Men maakt zich vooral zorgen over de dunne deklagen die in de winterperiode worden gemaakt. Was in het verleden de winter een periode van relatieve rust, nu is er nog nauwelijks een winterstop. Het werk is meer belastend en gaat letterlijk door bij nacht en ontij. Weer of geen weer: het werk gaat door!

Zorg over ervaring in de ploegen

Het aantal mensen met ruime ervaring in het asfalt is afgenomen. In het verleden begonnen de vaklieden onderaan en begrepen de managers de praktijk. Er zijn nu minder mensen in management die deze lijn van ervaringen hebben doorlopen. Daardoor zien ze niet dat een ploeg meer is dan een verzameling mensen. Een asfaltploeg moet langere tijd met elkaar optrekken en op elkaar ingespeeld raken. Als er nieuwe leden instromen moeten die begeleid worden. De ouderen geven aan dat ze te weinig tijd kunnen besteden aan overdracht van ervaring aan de jongelingen. Op school wordt wel theorie gegeven, maar praktijkervaring moeten ze op het werk opdoen onder begeleiding van een ervaren rot. Als daar onvoldoende tijd voor is, dan gaat dat ten koste van kwaliteit van het werk. Het komt ook regelmatig voor dat mensen te snel doorstromen naar werk waar ze eigenlijk nog niet aan toe zijn. Dat levert spanningen en frustraties op binnen de ploeg. Het is op die manier ook moeilijk de jongelingen het gevoel van groei te geven en hun vast te houden.

Graag meer waardering, erkenning en voldoening

De mensen uit de ploegen vragen nadrukkelijk om meer aandacht en waardering voor het werk dat zij verrichten. De omstandigheden zijn zwaarder geworden. De beloning voor het werk moet worden verbeterd. Lonen zijn niet meegegroeid. Waardering, erkenning en voldoening zijn afgenomen. Er is duidelijk de wens dat managers zich meer verdiepen in de praktijk en gang van zaken in de uitvoering. Als 's nachts en in het weekend gewerkt wordt, is het kantoor dicht. Managers hebben daardoor minder binding met buiten. Ze hebben volgens de vaklieden onvoldoende door onder welke condities en werkomstandigheden er gewerkt moet worden en welke impact de werk- en reistijden hebben op het privéleven van de asfalteerders. Het "kantoor" moet volgens de ploegen meer contact houden met de werkvloer. Daardoor krijgen ze een beter gevoel van de tijd die nodig is om inspectieputten, verkeersdrempels, lassen en dergelijke in het proces mee te nemen. Met meer gevoel voor de uitvoering kan worden voorkomen dat er onmogelijke planningen worden opgesteld.

Vooruitgang in veiligheid en ARBO

In de afgelopen jaren zijn op deze gebieden goede stappen voorwaarts gezet, zoals betere kleding en schoeisel en meer aandacht voor verkeersmaatregelen en afzettingen. De aanwezigheid van een schaftkeet wordt bijzonder gewaardeerd en is ook positief voor overleg op het werk. De verlichting bij nachtwerk is verbeterd. Het bedienen van de machines is minder zwaar geworden. De machines produceren ook minder lawaai. Lastig is wel dat je door de toename van elektronica zelf minder kunt repareren aan een machine (gelukkig is de storingsgevoeligheid de laatste jaren afgenomen). Met de moderne communicatie middelen kun je veel makkelijker de uitvoerder bereiken. Het administratief verwerken van voortgang en urenbriefjes is met de moderne ICT ook eenvoudiger geworden. Dit zijn ontwikkelingen in de goede richting die volgens de ploegen die ook de komende jaren moeten worden voortgezet. Verbeteren van veiligheid is volgens hen wel een punt waar de aandacht niet mag verslappen.

Zorg over opleidingen en begeleiding:

Iedereen is zich bewust van het probleem van de vergrijzing, de uitstroom van ervaring en het gebrek aan instroom. Dit wordt breed als een zorg gezien. Men begrijpt dat het werk zwaarder is geworden en daarmee de aantrekkelijkheid van het vak is afgenomen. Als je toch leerlingen of nieuwe aanwas hebt, dan moet je ze goed opvangen en begeleiden. Door tijd en aandacht aan ze te besteden leren ze het vak beter, worden ze meer opgenomen in de ploeg en haken ze minder snel (weer) af. Te vaak is er (toch nog) onvoldoende tijd voor begeleiding van jonge mensen. Wisselingen in ploegen zijn slecht voor de begeleiding. Het vraagt tijd iemand op te leiden en in te werken. Van boven af wordt daar te makkelijk over gedacht. De scholen geven geen praktijk meer. In de praktijk is de uitstroom groter dan de instroom, in ervaring gerekend zelfs nog sterker dan in aantallen mensen. Investeren in mensen en in hun ervaringsopbouw wordt door allen als belangrijk gezien, maar door de druk op het werk schiet het er bij in.

Overige punten

Een aantal punten die naar voren kwamen en die we nog even apart willen belichten:

  • Uitwisselen personeel/materieel: Sinds de eigendommen van de centrales zijn veranderd op last van de NMa zijn de afstanden tot het werk toegenomen. De kans op onregelmatige levering van asfalt is groter geworden. De communicatie met de centrale is sowieso een punt van zorg volgens de deelnemers. Om rij- en reistijden te bekorten zou volgens de vaklieden voordeel kunnen worden behaald met meer uitwisseling van personeel en materieel tussen bedrijven.
  • Mengsels en verwerkbaarheid: De nieuwe mengsels zijn moeilijker te verwerken. Voor veel van deze nieuwe mengsels is verwerkbaarheid met de hand problematisch, zeker als de temperaturen laag zijn. Bij koud weer wordt het verwerken met de hand nog lastiger.
  • Informatie vooraf en terugkoppeling: De ploegen geven aan dat ze graag vooraf meer informatie zouden willen hebben over het mengsel en de verwerkbaarheidseisen. Nu ontbreekt het vaak aan die informatie. Verder zouden ze ook graag geïnformeerd worden over de metingen die tijdens en na het werk worden uitgevoerd. Nu krijgen ze nauwelijks tot geen terugkoppeling over de resultaten van die metingen. Het zou volgens de vaklieden mooi zijn als het aantal mengsels zou kunnen worden teruggebracht.
  • Uitbestedingscultuur: Uitbesteden van transport en inhuur van ZZP-ers is niet bevorderlijk voor een gestroomlijnde uitvoering. De uitbesteding op laagste prijs leidt nogal eens tot problemen die het proces verstoren of om improvisatie vragen. De ZZP-ers hebben minder binding met de ploeg en met het bedrijf. Ze denken meer aan productiviteit dan aan kwaliteit. Op sleutelposities moet je daarom geen ZZP-ers inzetten.
  • Bekendheid met asfaltwerk: Asfaltwerk is tegenwoordig vaak "onderaannemer" in een groter project. De andere uitvoerders weten regelmatig niet (meer) wat nodig is om asfaltwerkzaamheden vlot en soepel te kunnen laten verlopen. Als andere uitvoerders meer kennis zouden hebben van asfaltwerkzaamheden, dan zou veel improviseerwerk kunnen worden voorkomen.

De toekomst

Zijn de zorgen vals sentiment?

Wat blijkt uit deze workshops met vakgenoten: Men is zeker nog trots op het vak en het vakmanschap, maar er is twijfel over de toekomst. Veel van de vaklieden kijken positiever naar het verleden dan naar het heden. Minder tijdsdruk, minder gejaagdheid, beter prijsniveau, meer aandacht en tijd voor kwaliteit. De sfeer op het werk en de sociale omgang waren beter. Deze verschuiving van dag naar nacht-/weekend-werk heeft het niet plezieriger gemaakt. Tijd om mensen op te leiden en in te werken is er maar mondjesmaat. Je kan dan de liefde voor het vak niet overdragen. Gevoel van waardering, erkenning en voldoening is afgenomen. Voor veel mensen die in deze sector werken zijn deze uitkomsten niet verrassend. Wel verrassend was de mate van overtuiging over deze verandering en de manier waarop dit als onvermijdelijk en onomkeerbaar wordt gezien. De zorg over de toekomst is geen vals sentiment, maar wordt werkelijk oprecht gevoeld. De vaklieden hebben het gevoel dat ze beter werk kunnen maken dan ze nu doen. Ze zijn trots op hun vak en vakmanschap, maar minder trots op het werk dat ze leveren. Zoiets knaagt aan een vakman. Een vakman wil graag trots zijn op zijn werk. Als die trots ontbreekt, hoe houd je dan een vak levend en vaklieden gemotiveerd, hoe voorkom je dan uitstroom en hoe overtuig je dan de nieuwe aanwas dat het een mooi vak is? Dat lijkt ons een terechte zorg voor de sector (inclusief opdrachtgevers).

Uitwisseling en herkenning smaakt naar meer

"Is dat bij jullie ook zo?" De sfeer tijdens de bijeenkomsten was goed. De gesprekken tussen de vakgenoten waren informatief en openhartig. Door de gedeelde achtergrond en ervaring was er direct een klik. In de groepen werd gewerkt aan de 12 vragen, maar natuurlijk was er de gelegenheid elkaar te bevragen over de werkpraktijk bij de verschillende bedrijven. De gedachtewisselingen bevestigden hoeveel de bedrijven met dezelfde problemen en oplossingen worstelen. Ook de spanningsvelden tussen bouwplaats en kantoor en tussen de asfaltploeg, de andere werkzaamheden en de toelevering waren onderling zeer vergelijkbaar. Over en weer werden ervaringen geruild over best practices ( "Hoe pakken jullie dat aan?" of "Hoe gaan jullie daar mee om?".

Wat bleek: Het zijn de kleine aanpassingen die soms het verschil maken. De uitwisseling liet ook zien dat er, zeker als het gaat om walsregimes, heel uiteenlopende praktijken en opvattingen zijn. Planning, registratie en logistiek zijn daarentegen in de laatste jaren meer uniform geworden. Dat lijkt vooral het gevolg van het gebruik van dezelfde software.

Al met al waren het boeiende bijeenkomsten die voor de onderzoekers en de deelnemers waardevol zijn geweest. Mede daarom ligt het voor de hand dit soort bijeenkomsten met enige regelmaat te herhalen.


Sitemap || © Copyright 2007-2015 - ASPARi